Algemene informatie
Plant biotechnology (plantenbiotechnologie) combineert plantenwetenschappen en moleculaire wetenschappen. Tijdens deze master richt je je op het ontwikkelen en toepassen van nieuwe technologie om planten te ontwikkelen voor een gezonde voeding voor mens en dier, als grondstof voor levensmiddelen, geneesmiddelen en andere consumentenartikelen. Je gaat zelfstandig leeronderzoeken uitvoeren binnen verschillende gebieden, zoals moleculaire biologie van planten, genetica, genomics, bio-informatica, plantenveredeling, virologie, entomologie, nematologie en plantenfysiologie. De voertaal van deze master is Engels.
Wageningen Universiteit
Aan de WUR kun je kiezen uit vier specialisaties: functional plant genomics, molecular plant breeding, plant pathology & pest control en molecular farming.
Toelatingseisen
De minimale toelatingseisen die de WUR stelt, zijn:
Wo
BSc plantenwetenschappen
BSc biologie
BSc biotechnologie
Toelating met andere wo-bachelors wordt bepaald door een examencommissie.
Hbo
HAO plantenteelt
HAO tuinbouw
HAO bioprocestechnologie
HLO/HTO laboratoriumtechniek
HLO/HTO biologie & medisch
Deze hbo-opleidingen geven waarschijnlijk zonder veel problemen toegang tot de master. Bij sommige andere opleidingen zul je extra vakken moeten volgen. Eventueel kun je nog enkele BSc-vakken volgen om aan de vereisten te voldoen.
Toekomstmogelijkheden
Experts in plantenbiotechnologie leggen zich toe op onderzoek. Hun werkgevers zijn onder andere universiteiten, onderzoekscentra al dan niet gefinancierd door de overheid, maar ook bedrijven in de agro-industrie.
Duur
Deze opleiding duurt 2 jaar.
Algemeen |
|
| Studentenoordeel Inhoud |
7.9 |
| Studentenoordeel Keuzeruimte |
8.0 |
| Studentenoordeel Samenhang |
7.5 |
| Studentenoordeel Werkvormen |
7.6 |
| Studentenoordeel Voorbereiden loopbaan |
7.4 |
| Studentenoordeel Docenten |
7.9 |
| Studentenoordeel Communicatie |
7.4 |
| Studentenoordeel Studeerbaarheid |
7.6 |
| Studentenoordeel Gebouwen |
7.6 |
| Studentenoordeel Faciliteiten |
8.1 |
| Studentenoordeel Totaalscore |
7.7 |
Arbeidsmarkt |
|
| Percentage schoolverlaters met baan |
0.8%
|
| Gemiddelde brutomaandloon werkzame schoolverlaters |
€ 2339.71 |
| Percentage schoolverlaters met baan op zijn/haar niveau |
0.5%
|
| Percentage schoolverlaters met gunstig oordeel over aansluiting op arbeidsmarkt |
0.8%
|
| Percentage schoolverlaters achteraf tevreden over studiekeus |
0.9%
|
| Gemiddeld aantal maanden nodig om baan te vinden |
1.9 |
| Indicator toekomstige arbeidsperspectieven (tekst) |
goed |
Collegegeld |
|
| Standaard tarief collegegeld |
€ 1620.00 |
| Tarief collegegeld deeltijd studenten jonger dan 30 jaar |
€ 1620.00 |
| Tarief collegegeld deeltijd studenten ouder dan 30 jaar |
€ 1620.00 |
| Tarief collegegeld duaal studenten |
€ 1620.00 |
Overige |
|
| Arbeidsmarkt Jaar |
2008 |
| Arbeidsmarkt Steekproef |
30 |
| Percentage schoolverlaters werkloos |
0.1%
|
| Percentage schoolverlaters dat is gaan doorstuderen |
0.1%
|
| Percentage schoolverlaters werkzoekend |
0.3%
|
| Percentage schoolverlaters niet actief |
0.1%
|
| Percentage schoolverlaters met vaste baan |
0.4%
|
| Percentage schoolverlaters met voltijd baan |
1.0%
|
| Indicator toekomstige arbeidsperspectieven (ITA) |
0.97 |
| Indicator conjuctuurgevoeligheid |
1.1 |
| Indicator conjuctuurgevoeligheid (tekst) |
hoog |
| Indicator uitwijkmogelijkheden |
9.16 |
| Indicator uitwijkmogelijkheden (tekst) |
gemiddeld |
| Clusternaam |
0 |
| Percentage studenten dat meer dan 30 uur studeert |
90.3%
|
| Percentage studenten dat meer dan 1000 euro kwijt is aan studiekosten |
3.3%
|
| Contacturen per week |
13.8 |
| Groepsgrootte van werkgroepen |
8.16129 |
| Gemiddeld aantal toehoorders bij hoorcolleges |
32.9688 |
| Percentage studenten dat een groepsgrootte onder de 100 meldt gegroepeerd |
100 |
| Hoeveel uur per week gemiddeld aan een bijbaan besteed wordt |
9.13333 |
| Percentage studenten dat geen bijbaan heeft |
51.5152 |
| Hoog tarief collegegeld |
€ 1620.00 |
Studeren |
|
| Gemiddeld aantal studieuren |
42.3 |
| Gemiddelde studiekosten |
505.2 |
Bron: SKI database 2009